Ik (zich haasten, VTT°) want ik was laat.
Ik (moeten, lopen, VTT) want de bus was laat.
Gisteren (deelnemen, OVT) ik aan de vergadering.
(vastklikken, impér 2e sg) je gordel!
(werpen, impér forme polie) uw papier niet op de grond!
Wat (doen, otkt) je tijdens de vakantie?
Ik (veranderen, VVT) de motor van mijn bromfiets.
Het weer (veranderen, VTT) nu. De zon (schijnen, OVT) straks, maar nu (regenen, OTT) het.
We (fietsen, VTT) naar de stad en daarna (wandelen, VTT) in de stad.
(aansporen, OTT) je ook je ouders meer te lopen?
De gemeente (onderhouden, OVT) de fietspaden niet.
Zijn vader (overrijden, OVT) door een wagen.
Wie (kunnen, terugbetalen, ovtkt) je ?
Wie (halen, VVT) je?
Hij (besteden, OVT) veel tijd aan zijn wijk.