Ik (vertrekken, VTT) om 5 uur.
Ik (horen, voorbijrijden, VTT) de bus.
Die krant (inlichten, OTT) de inwoners zeer goed.
Wanneer (verschijnen, OVT) de krant?
(meewerken, impér 2e sg) met de gemeente!
Ik (doorbrengen, VVT) veel tijd op internet.
(zich gedragen, impér 2e sg) beleefd!
HIj (bedreigen, ovtkt) de kinderen.
Vroeger (leggen, OVT) ik niet gemakkelijk contact.
Met mijn ouders (afspreken, VTT) we dat ik tot twee uur (mogen, OVT) uitgaan.
De brochures (afhalen, OTT passif) bij het loket.
We (verhuizen, VTT) naar een nieuwe wijk.
We (reizen, OVT) veel toen we jong (zijn, OVT)
De bewoners (klagen, OVT) veel over zwerfvuil.
Colombus (ontdekken, VTT) Amerika.