Ik (parcourir, vtt) kilometers.
Je (zich verplaasten, vvt) vlug.
(beschikken, ott) je over een bromfiets?
Ik (opzetten, ovt) toen al mijn helm.
Je (moeten houden, cond) afstand.
(vastklikken, vtt) je je gordel?
We (zich gedragen, vvt) hoffelijk.
Ze (ontdekken, vtt) dat de gordel leven (redden, ott).
Hij (willen rijden, vtt) te vlug.
De campagne (vestigen, fut) de aandacht op het probleem.