Ze (aantonen, ovt) gisteren dat ze nooit voorrang (geven, ovt)
Ik (reizen, ovt) het liefst met e auto.
Hij (gaan brengen, vvt) naar school.
Hij (leren rijden, vtt) twee jaar geleden.
Hij (fietsen, vtt) naar school.
Hij (fietsen, vtt) in de stad.
Wanneer (terugkomen, ott) je vader?
Ik (halen, fut) je morgen om negen uur.
Hij (meerijden, ovt) met een vriend om energie te besparen.
Ik (willen, proberen, vtt) en het (lukken, vtt).