Vanmorgen (afzetten, ovt) mijn ouders me vlak voor de schoolpoorten omdat ik te laat (zijn, ovt).
Het (afhangen, ovt) helemaal niet van mij.
Ik (zich maken, ott) niet te veel zorgen als ik laat (opstaan, ott)
Gisteren dieven mijn fiets. (stelen, ovt)
Ik (laten gebruiken, vtt) hem mijn fiets.
Ik (opstaan, vtt) vanochtend te laat en ik (aankomen) te laat op school.
We (zich haasten, vvt).
(bereiken, vtt) jullie de school op tijd?
Ze (moeten vermijden, cond) die smalle straten.
Ik (pendelen, ovt) nooit toen ik op kot (zitten ovt)