Relie les deux phrases au moyen de la conjonction donnée. Fais attention à la structure de la phrase, à la ponctuation et au sens. Recopie la phrase entière.
Je gaat naar het containerpark. Neem die flessen mee. (si)
Hij voelt zich depri. Hij snoept veel. (comme)
Heb je het gehoord? Hij komt ook mee. (si)
Je wil gezond eten. Je moet je voeding afwisselen. (si)
Ik weet dat roken kanker veroorzaakt. Ik kan er niet mee stoppen. (bien que)
Je slaat het ontbijt over. Je zal je vlugger moe voelen. (si)
Je mag meekomen. Je ouders gaan ermee akkoord. (à condition que)
Ik voel me depri. Ik doen aan sport en het gaat beter. (dès que)
Ik sorteer mijn afval. Ik bespaar geld. (depuis que)
Vergeet niet me op te bellen. Je bent thuis terug. (dès que)