Relie les deux phrases au moyen de la conjonction donnée. Fais attention à la structure de la phrase, à la ponctuation et au sens. Recopie la phrase entière.
Ik let op mijn gewicht. Ik eet evenwichtig. (Vu que)
Ik zal even zien. Ik heb er nog. (si)
Ik ben gisteren naar zee gegaan. Het heeft voordurend geregend. (quand)
Hij sorteert zijn afval. Hij bespaart geld. (comme)
Er is een leerlingenraad op school. De directie luistert eindelijk naar de leerlingen. (maintenant que)
Mijn ouders zijn gescheiden. Ze gaan nogal goed om met elkaar. (bien que)
Ma leest de krant. Papa wast af. (pendant que)
Hij gedraagt zich vaak. De anderen gaan hem niet aan. (comme si)
Ik had een slecht rapport gekregen. Mijn internetverbinding werd afgesloten. (après que)