Zinnig woord (1- 50)


Complète les trous au moyen d'un mot de la liste de ZW.

1. Il heb auto, maar wel een fiets.
2. een week word ik achttien.
3. De oefening werd mijn vriend gedaan.
4. Het begint regenen.
5. Heb je gegeten? Nog niet.
6. Zijn voldoende stoelen?
7. Ik ben 16 jaar 16 mei.
8. De man met Cara praat, is mijn vader.
9. Het is het regenen.
10. Hij is groter (= que moi).
11. Nu en heb ik hoofdpijn.
12. Het boek daar ligt, is van mij.
13. Ik ga de bus school.
14. Peter is niet zo groot ik.
15. Het boek is anders de film.
16. Hij moet veel heen en reizen.