<=
Index
=>
Zinnig woord: les prépositions (1) (1- 105)
Complète les trous au moyen du vocabulaire ci-dessous. N'oublie pas de conjuguer les verbes.
1.
zondag werk ik niet. (11)
2. Die vrouw, ik ken
niet. (13)
3. Er was veel volk
straat. (11)
4. Ik
in het vierde jaar. (6)
5. Ik ga
[?]
de dokter.
6. Momenteel woon ik
mijn tante. (27)
7. Hij is zo dom
zijn vader. (38)
8. Er zijn bussen
[?]
de tien minuten. (30)
9. Hij komt
[?]
twee dagen terug. (34)
10. Hij drinkt wijn
[?]
de fles. (36)
11. Dit boek werd
Scotts geschreven.
12. Nu en
lees ik een boek. (48)
13.
mooi weer gaan we naar zee. (60)
14. Luister eens, ik praat
jou! (65)
15.
groot is de tafel? 90 cm - 160 cm. (103)
16.
[?]
die boeken zijn oud. (70)
17. Het is anders
ik had gedacht. (32)
18. Je zou er
[?]
meer zout aan moeten toevoegen.(75)
19. Hij was net
tijd om zijn trein te nemen. (11)
20. Zeg me iets
je leuk vindt. (83)
Correction
Aide
OK
<=
Index
=>