Zinnig woord: Les petits-mots (2) (1- 155)


Complète les trous au moyen du vocabulaire ci-dessous. N'oublie pas de conjuguer les verbes.

1. laatste jaren is hij sterk veranderd. (121)
2. Alles hij heeft gedaan was verkeerd. (109, 75)
3. Er was een mooie prinses die in een kasteel woonde. (71)
4. De boeken daar liggen, zijn van mij. (13)
5. de slag! Er is nog veel te doen. (123)
6. Het woord op het bord. (129)
7. Ik wil een reis naar Brussel, geen retourkaartje. (125)
8. Doe gewoonlijk. (140)
9. Kan je me 5 euro lenen? Ik betaal je morgen . (141)
10. Boeken? Ik heb geen meer. (158)
11. Ken je de man daar staat te praten? (13)
12. Ik sta elke dag 7 uur op. (30)
13. wordt gezegd dat het mooi is. (28)
14. Het is al 22 uur. Het is laat om nu nog te bellen.
15. Niet zij moet het doen, maar (2e sing).