Zinnig woord: Les petits-mots (3) (1- 301)


Complète les trous au moyen du vocabulaire ci-dessous. N'oublie pas de conjuguer les verbes.

1. Ik weet niet ik mijn bril heb gelegd. (88)
2. Weet je hij heeft gezegd? (70)
3. Twee weken is hij naar Frankrijk vertrokken. (176)
4. Ik heb zin een lekker ijs. (181)
5. Het is koud buiten. Doe de deur . (204)
6. wil meekomen, moet het gewoon vragen. (206)
7. een bepaald moment moest hij vertrekken. (217)
8. Ik zit een boek lezen. (223)
9. We brengen je huis.
10. Het is dezelfde oefening gisteren. (243)
11. dat gebied ken ik niets. (250)
12. Hij heeft de kinderen gevraagd, hoe het met hen ging. (253)
13. Je moet het boek zo vlug terugbrengen. (255)
14. Dat boek bestaat drie delen. (258)
15. Hij lijkt ouder zijn. (301)